Geleide bezoeken

 

Gallo-Romeinse ruïnes

Gerpinnes, dat lang omstreden gebied gelegen in het prinsdom van Luik en het graafschap van Namen, bleef tenslotte afhankelijk van de graven. Op administratief gebied behoorde Gerpinnes bij de verpachter van Bouvignes en de onderverdeling ervan, de gemeentesecretarie van Biesme-la-Colonoise. Op geestelijk gebied behoorde de parochie van Gerpinnes bij het bisdom van Luik. In 1559 werd ze onder het bestuur gebracht van het bisdom van Namen. In 1872 werd een Romeinse villa uit de derde eeuw ontdekt in het gehucht "Augette" op de zuidelijk gelegen heuvel, niet ver van de samenvloeiing van de beekjes Augette en Saint-Pierre : de villa van Agrippa, een Romeinse notabele. Deze villa had een meer dan 90 meter lange gevel en bestond uit drie hoofdgebouwen die tegenover drie windstreken stonden: in het westen het gebouw van het ondergeschikt personeel, in het zuiden dat van de heren en in het oosten dat van de hypocausta, de bad- en de speelkamer. Er was ook een ondergrondse kamer (nog steeds te bezichtigen) die gebruikt werd als kelder. Het huis van de heren bestond uit een aantal kleine kamers waarvan de muren beschilderd waren (roze, geel, rood). Er was een met Dorische zuilen versierde uitbouw en de hoogte van de kamers was ongeveer 5 meter. De kwaliteit van de gevonden voorwerpen - zuilengalerijen, marmeren voorwerpen, mozaïeken, muurschilderingen, aardewerk, ijzeren en glazen voorwerpen - maakt het mogelijk om af te leiden dat het om een rijke eigenaar ging die aan de oorsprong van het dorp ligt.

Op verscheidene plaatsen van het dorp werden ook graven uit het Frankische tijdperk gevonden.

De villa van "Ojète" werd tweemaal in brand gesticht en misschien zelfs geplunderd. Na de Germaanse invasies verliet de eigenaar, die een voor verdediging meer gunstige plaats verkoos, het dal van "Ojète" om zich te vestigen op de heuvel waarop de huidige parochiekerk staat.

De ontdekking van deze villa heeft zoveel waarde dat de staat beslist heeft om het hoofddeel ervan te laten studeren door deskundigen buiten de blik van nieuwsgierigen


Egilse "Saint Michel"

 

Op het einde van de elfde eeuw verving een kleine zware en massieve stenen kerk de houten huiskapel uit de zevende eeuw. Ze werd ingewijd tot de aartsengel Michiel en deed dienst als parochiekerk, niet alleen voor Gerpinnes en de gehuchten ervan, maar ook voor de buurgemeenten van Joncret, Acoz, Villers-Poterie, Gougnies, Sart-Eustache en Tarcienne. Deze situatie blijft zonder grote verandering tot het einde van de negentiende eeuw bestaan. In 1142 zochten de inwoners van Gerpinnes er hun toevlucht in en werden belegerd door Elbes, procureur van Florennes. De kerk en het dorp werden omsingeld en in brand gesticht.

Ze werd in de tweede helft van de twaalfde eeuw in de Romaanse stijl heropgebouwd. Er blijven er de vierkante toren, de doopvonten en een crypte over.

Deze crypte die jammer genoeg na de opgravingen in de kerk en na de restauratiewerken ontoegankelijk was, werd volledig vrijgemaakt en opengesteld tot de openbare eredienst.

Rond 1545 werd de kerk afgebrand en de archieven van de Broederschap van St.-Rolende verdwenen in de ramp.

De kerk werd in de tertiaire spitsbogenstijl heropgebouwd. Het schip bestond uit vier traveeën en een koor met crypte. (Het koor moest ter hoogte staan van de huidige preekstoel)

De noordkant heeft zijn oude ramen met vierkante ijzers bewaard. De zuidkant heeft omstreeks 1712 belangrijke herstellingen ondergaan.

In 1670 werd een nieuw houten altaar ter ere van St-Rolende gezegend. De wijzerplaat van de klok dateert uit 1737.

In 1770 werd de kerk met de helft vergroot met de uitbreiding van dit nieuwe deel en? wat merkwaardig is? in de toen zeer in de mode renaissancestijl.

Het oude koor met de crypte werd afgeschaft. Later werd de laatste constructie sterk veranderd door toevoeging van gotische elementen om het hele bouwwerk in zijn algemene aspect eenvormig te maken.

In 1766 werd de klok Isabeau die tot de gemeenschap en de parochianen behoorde, opnieuw gegoten door de gietmeesters Louis Simon, Joseph Simon en Claude Deforêt. De orgels zijn afkomstig van de Dominicanen van Namen; ze werden tegen 150 kronen gekocht (de gemeente heeft 70 kronen betaald en de heren van Bruges 80 kronen); ze werden in 1805 door de heer Rifflart de Bouvignes geplaatst.

De bijzonder opmerkelijke Romaanse doopvonten in het zogeheten steen van "Doornik", dateren uit de twaalfde eeuw. Ze bestaan uit een cilindervormige schacht met vier zuiltjes waarvan de bases gegoten zijn en die de kuip ondersteunen. Hierop zijn naïef gebeeldhouwde koppen geplaatst. Het dient op te merken dat de 4 zuiltjes verdwenen waren. Voor dit waardevolle stuk was een reparatie noodzakelijk.

De zuiltjes werden weer op hun plaats gezet. Gevarieerde ornamenten op de buitenkant vertegenwoordigen Romaanse booggewelven en palmetten. Deze doopvonten staan in het centrum van de kerk.

Opmerkelijk is ook de prachtige lessenaar, aangeboden door Emile Deglume, siersmid in Gerpinnes.

Het praalgraf van St.-Rolende werd na de brand van de kerk in 1545 heropgebouwd. Het bereikte een hoogte van vier voeten op de plaats waar de beroemde maagd begraven lag, dat wil zeggen tussen twee zuilen van het schip en tegen het altaar. Het was een metselwerk dat een zwartmarmeren grafzerk ondersteunde waarop het beeld van de heilige gegraveerd stond met de volgende inscriptie

"St.- Rolende, dochter van de zeer grote Desiderius, koning van Gallië."

Mijn beenderen liggen hier. Dank zij Gods genade genees ik urineinhouden, breuk, blindheid behalve andere kwalen. Smeek me, u die mijn intercessie nodig heeft.

Dat praalgraf van St-Rolende, komt uit een Maasatelier en dateert uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Het staat tussen twee zuilen, juist boven de sarcofaag van de toen in de crypte begraven Sinte. De hoekzuilen zijn karakteristiek.


Châsse van Heilige Rolende

Op 13 mei 1599 werden de relikwieën van St-Rolende in het huidige schrijn neergelegd door Zijne Hoogwaardige Excellentie Blaseux, bisschop van Namen. Dank zij de edelmoedigheid van de inwoners van Gerpinnes en talrijke buurgemeenten kon het schrijn de ateliers van Henri Libert, edelsmid in Namen, verlaten. Het kostte 553 florijn.

Het biedt ons een van de mooiste exemplaren van edelsmeedkunst uit de vijftiende en zestiende eeuwen die in dat domein een periode van neergang kenden.

Het schrijn van St-Rolende is uit verguld koper verhoogd door talrijke zilveren platen. Het is in de renaissancestijl. Nochtans behoren de meeste ornamenten tot de Romaanse stijl. Het heeft de vorm van een basiliek zonder dwarsschip of dat van een rechthoekige sarcofaag met twee hellingen in het bovendeel. Het wordt op de kleine kanten door twee sierlijke puntgevels beëindigd.

Het hoofddeel van het monument rust op rijke lijsten, verhoogd door met loofwerk versierde voluten en sierlijke ineenstrengelingen, in filigraanimitatie. Het wordt onderverdeeld in veertien panelen, gescheiden door uitspringende pilasters; op twaalf panelen bevinden zich nissen met standbeelden van de apostels, met de inscriptie op zilver van de namen en van een artikel uit het Credo.

De zilveren bas-reliëfs vormen zoveel taferelen die van een naïeve originaliteit en een verrassende zorgvuldige afwerking getuigen. Ze illustreren de verscheidene hoofdscènes uit St-Rolendes verhaal: huwelijk van haar ouders, geboorte, roeping, afwijzing van een aanbidder, vlucht naar het buitenland, aankomst in Gerpinnes, overbrenging van de stervende, dood en triomf.

Op een van de kanten staan de volgende heiligen afgebeeld: Sint-Guillaume, Sint-François d'Assise, Sint-Etienne. In de zijgevels staan de volgende heiligen afgebeeld: Sint-Michiel, patroon van de kerk en St-Hélène, patrones van de abdij van Moustier-sur-Sambre, dame van Gerpinnes. Onderaan kunt u het volgende opschrift lezen: "Mevrouw Hélène de Huy de Moustiè-Gerpinnes versierde dit beeld namens St-Rolende. A° 1599".

Deze panelen worden door gebeitelde banden verbonden die vergulde lijsten vormen en die door renaissance maskers versierd worden. Het schrijn wordt bezaaid met zilveren lissen op goud. Op de kleine kanten bewondert men twee zilveren en gouden schilden: het ene bestaat uit drie lissen, het andere uit drie torens. Twee standbeelden zijn erop geplaatst: dat van de Verlosser van de wereld en dat van Sint-Crépin, patroon van de leerlooiersgilde.

De nok die het schrijn bekroont en de hoeken van het timpaan bestaan uit fijn doorsneden lissen; u kunt drie standbeelden zien: dat van St-Catherine, dat van St-Rolende en dat van St-Barbe, met in de hand het boek der Evangeliën. Ze worden gescheiden door kleine bollen die dit ornament afwerken.


De broederschap van Heilige Rolende

De door de diocesane overheid toegestane broederschap van St-Rolende bestaat al eeuwen. De personen die er deel van uitmaken verbinden zich ertoe zich zonder gewetenslast aan de statuten te onderwerpen. Ze streven ernaar de heilige te vereren en haar machtige bescherming aan te trekken door een christelijk leven. De eerste reglementaire regel bestaat erin zich in de registers van de Vereniging te laten inschrijven en een kleine jaarlijkse bijdrage te betalen. De waardevolle voordelen bestaan in de deelname aan de weldaden van de voor de broeders en zusters (zowel levend als gestorven) gelezen missen en in het opdragen van een begrafenis van het overleden lid, zodra de dood aan meneer de pastoor van Gerpinnes aangekondigd wordt.

De kerk van Gerpinnes viert het feest van St-Rolende met een processie van haar relikwieën op de zondag onmiddellijk voor of na 13 mei. Bovendien vindt een tweede processie met het Heilige Lichaam plaats na de mis op Hemelvaartsdag. De grote bedevaart met de militaire stoet vindt op Pinkstermaandag plaats door de naburige dorpen. Op Drievuldigheidsdag wordt het schrijn van St-Rolende in de kerk van Gerpinnes tentoongesteld.


ZIJN KASTELEN

 

Château d'Acoz

Vanaf de twaalfde eeuw wordt de grond van Acoz vermeld als afhankelijkheid van de abdij van Floreffe. De oprichting van de vesting, eigendom van de familie Marotte, dateert waarschijnlijk uit de tweede helft van de vijftiende eeuw en het begin van de zeventiende eeuw. 

In 1759 wordt het kasteel overgegeven aan de familie d'Udekem om in 1860 tot de Pirmez te behoren..

 

De familie d'Udekem d'Acoz

Deze familie was een zeer vroegere bekende familie van Brabant sinds 12è eeuw.

Het kasteel van Acoz werd achtereenvolgens door de families van Marotte in 1573 en van Quiévrain in 1727 bezet

Het is in 1759 dat Catherine d' Udekem van het kasteel van Acoz, van haar neef, de Graaf van Quiévrain erft die zonder erfgenaam is gestorven. Aan zijn dode, is het zijn neef Jacques van Udekem die van seigneurie van Acoz en Villers-Poterie erft. In 1858, verkoopt hij het kasteel en de gronden aan Irené weduw van Benjamin Pirmez, moeder van Octave, de schrijver. Het is in 1886 dat de naam "d'Acoz" namens Udekem door koninklijk besluit van Koning Leopold II werd toegevoegd.

Het blazoen

De héraldique beschrijving: "Van zand, aan drie voorovergebogen maillets van goud. Gesommeerde ECU van een kroon van goud aan negen parels die op de cirkel worden gelegd, en die door twee gewapende en lampassés leeuwen die van goud wordt gedragen, van bekken, houdend elk vouge van geld van goud emmanchée kijken. Het geheel geplaatst onder een paviljoen van bekken, wacht van hermine en verdubbeld van sinopel, dat van een buste van oude man wordt overwonnen, die met een muts van bekken is getooid, rebrassé van drie spitsen van hermine, de buste die van het paviljoen. hijst"

De verklaring:

Het schild is zwart met drie hellende maillets doré geel.

Maillets zijn werktuigen die zouden kunnen zijn die van een timmerman, een kuiper, of zelfs van een kleine ondernemer.

Au-dessue van ECU, bevindt zich een dorée kroon, dat betekent dat de familie edel, op de kroon, men vindt negen parels is die aan de Graaf werden toegekend.

Twee vergulden leeuwen dragen ECU door naar de buitenkant te kijken en gaan een rode taal voorbij. Zij dragen vouge, dat wil zeggen een soort épieu die voor de jacht diende.

Armoiries zijn met een soort van rode draperie omgeven, de kant wordt moucheté van zwart verzilverd, en de voering is groen.

Boven het paviljoen bevindt de buste zich van een getooide oude man van een rode muts, met een kant die van drie spitsen wordt gevormd, verzilverd moucheté van zwart. Deze buste gaat van het paviljoen weg.

Sinds 1891, heeft men hem valuta toegevoegd: "Bello et jure senesco". Dat zou willen zeggen: "Ik geïnvesteerd in het werk en het recht".

Dit blazoen is die van Villers-Poterie sinds 1962 geworden.

Acoz en Villers-Poterie faisaint deel van zelfde seigneurie waarvan Jacques d'Udekem de laatste heer is geweest. Maar Villers-Poterie had geen blazoen. Dan heeft de gemeentesecretaris van het tijdperk aan de familie d'Udekem d'Acoz gevraagd of hij niet hun blazoen kon gebruiken wat de familie aanvaardde. Tijdens van onderzoeken in de oude documenten van het dorp, had men een verzegelde envelop van het zegel van deze familie teruggevonden.

Het monument van de familie d'Udekem d'Acoz aan Acoz

In 1976 tijdens van de fusie van de gemeenten, vreesden de oude dorpen dat hun naam ten gunste van de naam van de entiteit is vergeten. Het is in dit verband dat men aan de familie d'Udekem d'Acoz vroeg om een monument op te richten dat de naam van Acoz zou vereeuwigen. Deze aanvaardde graag en financierde het monument.

Hij werd op 25 oktober 1980 in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de familie, van het "Fanfare Royale d'Acoz", van vertegenwoordigers van het cerle historische overzicht, het gemeenteadvies, de burgemeester van het tijdperk de Heer Brimant en de plaatselijke bevolking ingewijd.

Dit monument doet zich onder de vorm van een kolom van voor meer of minder twee meters piere top in van omvang, samengesteld uit verschillende vaste lichamen. Op een van de stenen wordt het blazoen van de familie d'Udekem d'Acoz gegraveerd. Aan de top van het monument, houdt een leeuw tussen zijn klauwen een schild dat de naam "Acoz" draagt.


Dit document is van een werk van onderzoek afkomstig dat door de leerlingen van 5è en 6è primaire jaar van de School Notre-Dame de la Providence à Acoz, klass van Mevrouw Anne-Marie Deguelle, wordt uitgevoerd.

De leerlingen hebben het blazoen aan de Prins Philippe en de Prinses Mathilde aan het kasteel van Acoz, in het kader van hun Vrolijke toegang in de provincie van Hainaut gepresenteerd.

Vandaag blijven er alleen maar een alleenstaande toren en twee vleugels over. Ze werden in de zeventiende en negentiende eeuw sterk verbouwd. De voorgevel van het kasteel verheft zich op de zuidkant. Ze wordt in het zuidoosten omsloten door een vierkante toren bestaande uit drie verdiepingen en in het zuidwesten door een massief portaal en een brug met twee bogen. De gevel werd in de klassieke stijl uit de negentiende eeuw opgehoogd. Ze telt elf traveeën en leunt op een dikke sokkel. De oostkant van het kasteel bestaat uit een woning gevolgd door een lagere vleugel die vertrekken en oude stallen herbergt.

Op de woning staat de leus van de Pirmez op de ingangtravee geschreven: "CUTUM MEUM FIDES". Men heeft toegang tot de tuin à la française door een vierkant kalkstenen portaal waarschijnlijk uit 1674, zoals aangeduid op de bespijkerde vleugel.

Binnen de woning vindt men er een Oscave Pirmez zaal (1832-1883). Deze auteur wiens werken tot de romantiek behoren is de overoudoom van de vroegere eigenaars.


Château "La Tour"

Het Kasteel "la tour" die reeds aan de XIV èeeuw wordt aangehaald en die zich op "rue Albert Ier" bevindt


Château "d'en Haut"

Het Kasteel d'En Haut werd in de zeventiende eeuw door de familie "de Bruges" opgetrokken. Het onderging enkele verbouwingen in de zeventiende eeuw. 

Het werd in 1971 door de gemeente gekocht en werd het stadhuis. Het oudste deel herbergt zorgvuldig een kamer waarvan de fijn gebeeldhouwde lambrisering de rijkdom van het verleden laat raden. Het is opgetrokken in een park met vele honderden jaren oude linden.


Château "d'en Bas"

Het Kasteel d'En Bas of Kasteel Fourneau werd door de smidmeesters Demanets opgetrokken en tot school ingericht door de kanunniken van Latran. (collège Saint-Augustin).


Het Museum van het verloop AMFESM

Dit zeer oude gebouw dat in het begin van de veertiende eeuw werd opgetrokken, laat in het geheugen van de oude inwoners van Gerpinnes de herinnering aan zijn naam.

Het was het huis van de baljuw, zoals het lang in de loop van de voorbije eeuwen werd genoemd.

Met zijn blauwstenen bordes herbergde het vroeger de vertegenwoordiger van de plaatselijke macht, belast met administratieve en rechterlijke bevoegdheden.

Hier werd het eerste gemeentezegel gebruikt dat in de archieven van 1308 werd teruggevonden.

AToen oefende Gerpinnes de rechterlijke macht uit, gesymboliseerd op dat eerste zegel door Sint-Michiel, patroon van de parochie, die met de rechterhand de draak bestreed en die in de linkerhand de weegschaal van het gerecht hield.

In 1986 werd die woning door het gemeentebestuur aangeworven om er het Museum van de Folkloristische Optochten van Tussen-Samber-en-Maas te maken.

De kostuums en wapens evenals talrijke vlaggen herinneren aan de tijdperken van het Eerste en Tweede Empire.

Tijdens de periode van de optochten (mei-oktober behalve juli) is het museum voor het publiek alle weekends toegankelijk van 14 tot 18 uur, rue de la Régence 6 te 6280 Gerpinnes en op afspraak op 071/50.26.52 (de Heer Jean-Pierre LAMORT, conserveermiddel ).

               

Om andere foto's zien, hier klikken


Webmaster@SI-Gerpinnes.be
Copyright Syndicat d'Initiative a.s.b.l. Alle gereserveerde rechten.
MAJ 12/08/10